Tip van de Week: selectieve scherpte

Hoe je scherpere foto’s krijgt, kwam al eerder aan bod in deze rubriek. Maximale scherpte is echter lang niet altijd een must. Bij een drukke achtergrond bijvoorbeeld is het mooier wanneer deze onscherp wordt weergegeven. Zo steekt het scherpe hoofdonderwerp er duidelijker tegen af. En een snelbewegend onderwerp dat met een extreem korte sluitertijd is ‘bevroren’, lijkt op een foto stil te staan (of te hangen in de lucht). Met een beetje bewegings-onscherpte hier en daar accentueer je de snelheid.

De scherptediepte (wat van voor tot achter scherp in beeld komt) regel je met het diafragma. Hoe lager de diafragmawaarde (dus hoe groter de diafragma-opening), hoe minder scherptediepte. Zo kun je een onderwerp als het ware isoleren van zijn omgeving, die vaag maar meestal nog wel herkenbaar wordt weergegeven. Ook op dit vlak bewijzen lichtsterke lenzen – die een grote maximale opening hebben – hun nut.

Compactcamerabezitters hebben het wat lastiger. De extreem kleine beeldsensoren gaan gepaard met navenant korte brandpuntsafstanden. Die geven van nature veel scherptediepte, en daardoor zijn je regelmogelijkheden beperkter dan met een spiegelreflex.

Als je voortaan sporters, racewagens of vliegende vogels fotografeert, probeer dan eens een wat langere sluitertijd uit om de snelle beweging weer te geven. Gevorderde sportfotografen volgen hun onderwerp tijdens zo’n wat langere belichting met de camera. Door dit ‘meetrekken’ krijgt de achtergrond een vaag strepenpatroon.

Lees ook:Tip van de week: minder scherpte is soms meer
Lees ook:Tip van de week: details
Lees ook:Tip van de week: scherptediepte
Lees ook:Flitsen met beleid – II
Lees ook:Tip van de week: freeze!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naam

Website

Het kan vijf minuten duren voordat nieuwe reacties zichtbaar zijn.