Categorie: "Tip van de week"

Tip van de week: jpeg of raw?

Sommige fotografen halen hun neus op voor het standaard jpeg-formaat waarin de meesten van ons hun plaatjes schieten. Volgens zulke fijnproevers is het raw-formaat, dat je eerst zelf moet ‘ontwikkelen’, het neusje van de zalm. Volgens anderen is dit onzin. Wat is hier nu van waar?

Laten we eerst een paar hardnekkige misverstanden uit de wereld helpen. Je hoort wel eens dat raw-foto’s scherper zou zijn. Strikt genomen is het tegendeel waar, want jpeg-foto’s hebben in de camera een reeks bewerkingen ondergaan, waaronder verscherping. Wél kun je er, door een nauwkeurige ‘ontwikkeling’, voor zorgen dat meer detail zichtbaar blijft.

Een veelgehoord bezwaar tegen raw waren altijd de grote bestanden. Op zich klopt dat, maar met de geheugenkaarten van nu maakt dat niet zo heel veel uit. Ter vergelijking: in de hoogste kwaliteit jpeg hoest mijn spiegelreflex plaatjes op van bijna 10 megabyte per stuk. In raw worden het er 23. Het schéélt, uiteraard, maar er passen nog steeds honderden opnamen op één kaart. Wél is het zo dat het wegschrijven naar de kaart meer tijd kost, en dat het buffergeheugen van je camera sneller volloopt. Daardoor zit je bij serieopnamen eerder aan je taks.

Tip van de week: wind en regen

Dat het volop herfst is, zal niemand ontgaan… Maar elk weer is fotoweer, zeker als je een (spat)waterdichte camera hebt. Toch blijven er ook dan een paar dingen waarvoor je moet oppassen. Regendruppels en/of vlekken op de lens kosten scherpte en contrast, en contrast is bij somber weer toch al een schaars goed. Houd je lens dus zo goed mogelijk droog met een zonnekap. Richt de lens omlaag of plaats de lensdop terwijl je de camera niet gebruikt, en veeg verdwaalde druppels af en toe voorzichtig weg met een speciaal lensdoekje.

Bij lenzen wisselen is het altijd uitkijken geblazen. Dat geldt voor een spiegelreflex, maar nog meer bij een EVIL-camera. Daar ontbreekt namelijk de beschermende spiegel voor de beeldsensor. Voor je het weet zit er allemaal vuil op je sensor, dat lelijke vlekjes op je foto’s geeft.

Tip van de week: mis minder fotokansen

In het filmtijdperk was het een klassieke beginnersfout. De finish van een wielerwedstrijd of het ringen wisselen bij een bruiloft proberen vast te leggen met nog maar twee of drie opnamen op je rolletje. Met een geheugenkaart van 4 of 8 gigabyte zal je dat tegenwoordig niet gauw meer overkomen. Toch kan het gebeuren dat op het moment suprême je camera ‘spontaan’ dienst weigert.

In de meeste gevallen blokkeert de ontspanknop doordat de automatische scherpstelling geen vat krijgt op het onderwerp. In sommige situaties is het beter om over te schakelen op handmatige scherpstelling en/of de scherpstelling vooraf op een bepaalde afstand te vergrendelen.

Tip van de week: meer fut in je foto’s

Grauw weer geeft vaak grauwe foto’s. Kleuren ogen futloos, en wat diepzwart of helderwit zou moeten zijn, is donker- of lichtgrijs. In fotografenjargon zeggen we dan dat een foto weinig contrast heeft. Terwijl een verkeerde belichting (de hele foto is veel te licht of te donker) dikwijls funest is, valt hier gelukkig vaak wel wat aan te doen.

Met veel fotobewerkingssoftware kun je de Helderheid en het Contrast aanpassen. Dat is de simpelste, maar niet altijd de beste methode. Gevorderden nemen liever hun toevlucht tot het aanpassen van de Niveaus (Levels). Bij een populair programma als Photoshop Elements vind je die in het menu bovenaan onder Verbeteren > Belichting aanpassen > Niveaus. Er verschijnt dan een grafiekje in beeld, histogram genaamd. Bij een goed belichte en contrastrijke foto begint het ‘heuvellandschap’ bij het zwarte driehoekje links, en loopt het door tot het witte driehoekje rechts.

Tip van de week: van analoog naar digitaal

Eén van de redenen dat analoge fotografie zo snel door digitale is verdrongen, is dat analoge foto’s – of liever gezegd negatieven – erg kwetsbaar zijn. Terwijl digitale fotobestanden in principe het eeuwige leven hebben en onbeperkt dupliceerbaar zijn, is ieder negatief een unicum dat aan veroudering onderhevig is. Om maar te zwijgen van het risico op beschadigingen en verlies.

Wacht dus niet te lang met het digitaliseren van je dierbaarste dia’s en negatieven! Dat kun je zelf doen met een scanner, of laten doen bij een fotolab. Met een gewone flatbedscanner kun je alleen prints digitaliseren. Maar er zijn ook duurdere uitvoeringen met een speciale lichtbak voor doorzichtmateriaal, waarmee je filmstrips of dia’s kunt scannen. Mits je niet de allergoedkoopste uitvoering koopt, kan de kwaliteit heel behoorlijk zijn.

Tip van de week: update je camera

Als je de laatste technische snufjes in huis wilt halen, hoef je gelukkig niet meteen naar de camerawinkel te rennen met een dikke portemonnee. Ook bij oudere modellen staat de tijd niet stil. De meeste camerafabrikanten brengen op gezette tijden zogenaamde firmware-updates of ‑upgrades uit. Hiermee krijgt jouw toestel een verjongingskuur, die in vrijwel alle gevallen gratis is.

Wat zo’n firmware-update precies behelst, verschilt van geval tot geval. Vaak worden kleine probleempjes verholpen of wordt je camera compatibel met de nieuwste generatie lenzen of geheugenkaarten gemaakt. Soms krijgt de filmfunctie een oppepper, terwijl bij de Sony NEX-camera’s bijvoorbeeld de 3D-functionaliteit wordt uitgebreid. Je kunt dit precies nalezen op de website van de fabrikant, waar je ook de laatste updates kunt vinden. Hou die site dus in de gaten! Als je een paar versies ‘achterloopt’, geen probleem: doorgaans omvat de laatste versie ook eerdere updates.

Tip van de week: special effects

Veel camera’s, ook digitale spiegelreflexen, hebben vandaag de dag een complete fotografische trukendoos aan boord. Van zwart-wit en sepia via softfocus tot krachttoeren in de trant van HDR, fisheye en crossprocessing aan toe.

Allemaal hartstikke leuk en makkelijk, maar als het effect niet goed uitpakt (of als je vergeet zo’n functie tijdig weer uit te schakelen), is je foto geruïneerd. En dat zie je vaak pas op het grote computerscherm, wanneer het te laat is…

Als je camera de mogelijkheid biedt om zo’n effect of filter pas achteraf toe te passen (waarbij de oorspronkelijke, ongefilterde opname bewaard blijft), gebruik die dan. Dan kun je altijd nog op je schreden terug of, als het resultaat niet bevalt, voor een ander effect kiezen. Van kleur naar zwart-wit of van scherp naar soft kan altijd; andersom niet.

Tip van de week: achter de tralies

Soms bevindt je onderwerp zich achter de tralies. Of achter een hek, gaas of glas. Dieren in de dierentuin zijn het bekendste voorbeeld.

Gelukkig is er een trucje om die op de foto te krijgen zonder herkenbaar gaas- of traliepatroon op de voorgrond, of met een achtergrond die meteen verraadt dat de opname niet op de Afrikaanse savanne maar in Artis (of, zoals hier, Blijdorp) is gemaakt.

Wat je nodig hebt, is een spiegelreflex met een telelens, liefst een lekker lichtsterke. Met compactcamera’s is het veel lastiger om gaas of tralies te verdoezelen. Een compactcamera geeft immers van nature veel scherptediepte (wat van voor tot achter scherp in beeld komt). Terwijl het juist de bedoeling is dat alleen het onderwerp scherp wordt afgebeeld, en alles ervoor en erachter zo onscherp mogelijk. Op die manier camoufleer je een storende voor- en/of achtergrond.

Tip van de week: witbalans

Niet alleen de hoeveelheid licht is van belang voor een foto, maar ook de kleur. Als je vlak voor zonsondergang een foto maakt, is het licht veel warmer dan ’s middags overdag. En op een bewolkte dag lijkt alles veel ‘blauwer’ dan onder een namiddagzonnetje. Dat hoeft geen probleem te zijn. Een zonsondergang of een sfeertafereel bij lamp- of kaarslicht mag best een rossige gloed vertonen. Daarentegen vinden we een blauwzweem bijna altijd onnatuurlijk, zeker bij huidtinten.

Normaliter meet je camera zelf de kleur van het licht, op een vergelijkbare manier als de hoeveelheid. Op basis hiervan wordt de kleur- of witbalans ingesteld. Dit geeft echter niet altijd het gewenste resultaat. Als één bepaalde kleur overheersend is, raakt de automatische witbalans het spoor bijster. En op een zomers strand rond het middaguur is het licht blauwer dan we denken. Terwijl we juist graag gebruinde gezichten en gebronsde lichamen willen zien.

Tip van de week: formaat en compressie

Heb je je wel eens afgevraagd waarom een foto van 12 miljoen pixels maar vier of vijf ‘meg’ (MB) in beslag neemt op je geheugenkaart of harde schijf? Het geheim heet compressie, om precies te zijn jpeg-compressie (.jpg). Dankzij die compressie passen er veel meer plaatjes op je geheugenkaart, en slaat je camera die veel sneller op. Zodat je gauwer paraat bent voor de volgende opname.

Dat de foto eigenlijk veel groter is, zie je wanneer je deze opent in Photoshop en de Afbeeldingsgrootte (‘Image Size’) bekijkt. De feitelijke bestandsomvang bedraagt plusminus het aantal pixels maal drie, aangezien elke afbeelding is opgebouwd uit drie basiskleuren (rood, groen en blauw). Eigenlijk zou een foto van 12 megapixels dus 36 megabyte moeten meten, zoals blijkt wanneer je diezelfde foto opslaat in een ongecomprimeerd formaat, zoals ‘tiff’ (.tif). Als ‘Photoshop Document’ (.psd) met verschillende lagen kan de grootte zelfs een veelvoud hiervan bedragen.