Tip van de week: zin en onzin van scherptediepte ‘regelen’

Over weinig fotografische kwesties hoor je zoveel halve waarheden als scherptediepte. Zoals de ‘vuistregel’ dat 1/3 van de scherptediepte vóór de ingestelde afstand ligt en 2/3 erachter. Bij macrofotografie is de verdeling pakweg fiftyfifty, en naarmate je naar oneindig opschuift, komt de scherptediepte voor een steeds groter deel achter het onderwerp te liggen.

Nog zo’n halve waarheid: teleobjectieven geven minder scherptediepte dan groothoekobjectieven. Als je keurig op je plaats blijft staan, klopt dat als een bus. Ga je met je groothoek dichter naar je onderwerp toe om het even groot in beeld te krijgen, dan maakt het praktisch niks uit. Toch is er verschil tussen beide opnamen, want het groothoekobjectief neemt met z’n grotere beeldhoek méér achtergrond mee, die daardoor kleiner en vooral herkenbaarder wordt weergegeven.

Je diafragma is ook een scherptediepteregelaar, maar verwacht er geen wonderen van. Neem bijvoorbeeld deze foto van een Fiat 500. Zelfs met een relatief groot diafragma op de kitzoom (F 5,6) zijn de huizen op de achtergrond niet helemaal scherp maar wel nog goed herkenbaar. Klik op de thuimbnail van de uitsnede voor een 1:1-vergroting. Met een ‘vaste’ standaardlens (50 mm bij full-frame, 35 mm bij APS-C) had F2,8 of F2 zichtbaar verschil gemaakt. Maar dan had je weer moeten opletten of het autootje wel helemaal scherp werd…

De invloed van het diafragma op de scherptediepte is wél heel makkelijk in een getal uit te drukken: een tweemaal zo hoge diafragmawaarde geeft twee keer zo veel scherptediepte. Dus F 8 geeft tweemaal zoveel scherptediepte als F 4. Toch zul je merken dat je op grote afstanden nog steeds vaak te veel scherptediepte hebt, en in het dichtbijgebied (macro, portretten…) te weinig. Deze bloemen zijn met dezelfde camera en hetzelfde objectief gefotografeerd met F 8. Op het eerste gezicht is alles scherp, maar als je op ware grootte kijkt (klik weer op de thumbnail van de uitsnede voor een vergroting), valt zelfs het blad direct achter de bloempjes buiten de scherpte. Als je doordiafragmeert tot F 16 of F 22, gaat de beeldkwaliteit achteruit door zogenaamde diffractie.

Overschat je diafragma dus niet als scherptediepteregelaar, temeer omdat je het ook nodig hebt om de belichting te regelen. Aan verschillende brandpuntsafstanden heb je zoals eerder gezegd niet zo veel, want de grootte van het onderwerp (de ‘afbeeldingsmaatstaf’) is bepalend. Als je voortdurend te veel of te weinig scherptediepte hebt, zijn er in wezen maar twee opties. Of je koopt een camera met een grotere respectievelijk kleinere sensor. Voor de foto van de kleurtemperatuurmeter bij de vorige post heb ik een compactcamera gebruikt, anders was het lastig geweest om alles scherp te krijgen. Anders kun je nog uitwijken naar een zogenaamd tiltobjectief. Daarmee kun je namelijk écht de scherptediepte regelen.

Wat je ook aan beide voorbeeldfoto’s kunt zien, is dat scherptediepte geen kwestie van scherp tegenover onscherp. Scherp gaat via bijna scherp over in onscherp – hoe langer de brandpuntsafstand en hoe groter het diafragma, hoe abrupter. Wil je meer scherptediepte en ga je diafragmeren, dan wordt ook de onscherpte minder onscherp.

Lees ook:Tip van de week: scherptediepte
Lees ook:Tip van de week: minder scherpte is soms meer
Lees ook:Tip van de week: scherp van voor tot achter
Lees ook:Scherptediepte: helemaal niet moeilijk
Lees ook:Tip van de week: scherpstelling, scherpstelpunt en scherptediepte

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naam

Website

Het kan vijf minuten duren voordat nieuwe reacties zichtbaar zijn.