Een Deen in Japan

Foto: Jacob Aue Sobol

De beeldtaal die Jacob Aue Sobol (Kopenhagen ‘76 / genomineerd Magnum-lid) in zijn nieuwste boek, Ik, Tokyo laat zien, houdt ergens het midden tussen dat van Anders Petersen en Daido Moriyama. Qua toon en onderwerpkeuze misschien wat meer in de richting van de laatste. Het kan zijn dat de omgeving waar de foto’s gemaakt werden, daarin een rol in speelt. Tokyo: Shinjuku, het jachtterrein van Moriyama en Araki. Anders Petersen heeft een nog wat surrealistischere beeldtaal, die vooral gedijt naarmate hij zich meer in de eigen omgeving bevindt. Diens foto’s zijn, voor ons westerlingen, wellicht ook wat meer herkenbaar. Aue Sobol weet de spagaat tussen beide oeuvres schijnbaar moeiteloos te overbruggen, alsof hij die ineen doet smelten, bij beiden in de leer is geweest. De foto’s van steegjes zijn regelrechte Moriyama-citaten. Ook die andere grens, die tussen het ‘kiekje’, bedoeld om het directe leven te vangen, en de z.g. intrigerende ‘geconstrueerdheid’, slecht hij met gemak. We zouden dit soort fotografie kunnen zien als de verre nazaat van de Bauhaus-fotografie (ook door mij bewonderd toen ik net van de Fotografieschool kwam). Het belangrijkste Leitmotiv daar was spontane direktheid, waarbij uitsneden weliswaar naar het tweede plan werden verwezen maar juist daardoor een soms meer, soms minder duidelijk bewustzijn van die kadrering opriep. Ralph Gibson komt even om de hoek kijken, maar legt het af door te overduidelijke enscenering. Dan liever de vergelijking met William Klein, die ver-Franste Amerikaan in New York, aan wie een enkel beeld reminicenties oproept. Of Bruce Gilden. Beiden maakten een boek over Tokyo. In Japan zelf bestaat een lange traditie van op emotie gebaseerde fotografie. Daar echter niet met het luchtige Bauhaus-perspectief, maar vanuit een schijnbaar dieper gelegen emotionele noodzaak. Dat is ook waar Aue Sobol klaarblijkelijk naar op zoek is. Zou het kunnen dat er een overeenkomst bestaat tussen het schone, brave Denemarken, de wat kille opvoeding die dat met zich meebrengt, en het op schoonheid gerichte, formele masker, dat de Japanse samenleving van haar burgers vraagt? Hebben Denen (Scandinaviërs?) en Japanners soms een vorm van onderdrukt emotioneel leven met elkaar gemeen? Is Aue Sobol daarom vanuit eigen ervaring op zoek naar de emotie achter dat masker? Wat hebben die Japanners, zo gefotografeerd, prachtige gezichten. Je blijft er naar kijken.

Aue Sobol heeft een duidelijke voorkeur voor de late en lege uurtjes. De nacht, het terrein van de jeugd; de tijdstippen waarop maskers vallen en emoties doorbreken. Ook voor ons westerlingen zijn er in die Japanse gezichten glimpen van op te vangen, laat Aue Sobol ons zien. Daarom veel foto’s van slapende mensen, de onschuld, anderen met een vreemd soort smachtende blikken. Het levert een boek op met prachtige fotografie. Fotografie die er om vraagt vele keren bekeken te worden en waar je je bij meerdere beelden telkens opnieuw afvraagt: Hoe zit dat? Wat gebeurd daar precies? Ook na meerdere kijksesies verliezen de beelden niet aan intensiteit. Is dat niet waar iemand fotograaf voor wordt, om zulke ‘blijvende’ beelden te kunnen maken? Aue Sobol lijkt dat met een schijnbaar groot gemak te doen. Natuurlijk staan er in dit boek foto’s die niet kunnen tippen aan Moriyama, noch aan Petersen; dan blijft die nacht soms net een tikje minder doorleefd; de makke van de jeugd? Aan de andere kant hebben de foto’s vaak een vlaag van warmte die het koel observerende oog van Moriyama ontgaan. De erotische geilheid, zoals dat bij Araki te zien is, ontbreekt hier volledig. En wat zou het perfecte fotoboek zijn zonder dat enkele zwakkere beeld? Bovendien, het verhaal moet verteld, zonder al te cryptisch te worden. Jammer, dat ook in dit fotoboek weer de teksten het probleem zijn. Nog voor je één foto hebt gezien al een knoeperd van een tekstfout! Dat zou, met zo weinig tekst, toch niet hoeven? Een door de fotograaf zelf geschreven nawoord is natuurlijk veel sympathieker dan die van een ingehuurde schrijver, maar deze blijft wel wat erg schools. Dit in vreemd contrast met de zoveel stoerdere foto’s. Ook had ik van de titel eerder IK/TOKYO, of desnoods IK-TOKYO, gemaakt i.p.v. dat rare kommaatje. De vormgeving is beslist adequaat te noemen. Alleen had ik er in dit geval, om de directheid van de fotografie nog te benadrukken, voor gekozen om de band met het blok mee te snijden. Dit soort kleinigheden, in tekst en uitvoering, wekken de indruk dat er bij de productie enige haast was. Waarom? Gelukkig lijdt het boek er niet al te zeer onder. Het is een ‘mooi’ boek geworden, met prachtige fotografie. En dat laatste, daar gaat het tenslotte om. Wat mij betreft nu al één van de toppers van 2009. 

Bron: PhotoQ | Theo Niekus

Lees ook:Fototentoonstelling Tokyo in Kunstuitleen Amstelveen
Lees ook:Unseen wijst Regine Petersen aan voor solo-expositie
Lees ook:Nieuwe rubriek: Op de korrel
Lees ook:Vakantiebeurs ‘foto-vriendelijk’
Lees ook:Russische en Hollandse pioniers in Foam

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naam

Website

Het kan vijf minuten duren voordat nieuwe reacties zichtbaar zijn.