Categorie: "Tip van de week"

Tip van de week: onopvallend werken

Soms moet je foto’s maken zonder op te vallen. Niet omdat je mensen wilt begluren, maar domweg omdat je ze anders stoort. Bijvoorbeeld tijdens een bruiloft, een kerkdienst of een klassiek concert. Maar ook op fotosafari op de Veluwe.

Zet in zo’n geval alle geluids- en lichteffecten van je camera waar mogelijk uit. Dat wil zeggen de ingebouwde flitser, de infraroodbundel voor de autofocus en alle piepsignalen op non-actief, en bij een luidruchtige automatische scherpstelling ook de autofocus zelf. Lenzen met ultrasone scherpstelling zijn geruisarm en dus in het voordeel. Sommige (semi)professionele camera’s beschikken zelfs over een speciale ‘Silent Mode’.

Vergeet in het donker ook niet de verlichting van je (hulp)scherm uit te schakelen, want dat kan ontzettend hinderlijk zijn. In een verduisterde zaal is het fluorescerende schijnsel tot op tientallen meters afstand zichtbaar.

Tip van de week: meer info met EXIF

Behalve de foto zelf schrijft je digitale camera een heleboel handige informatie weg naar de geheugen-kaart. Zoals wanneer de foto gemaakt is, en als het toestel over GPS beschikt ook wáár. Daarnaast wordt in de regel ook allemaal technische informatie opgeslagen, zoals de brandpuntsafstand van de lens, de ingestelde ISO-waarde, witbalans, sluitertijd en diafragma, en of er wel of niet is geflitst. Ook je cameramodel en het merk en type lens zijn hier te vinden.

Deze zogenaamde EXIF-informatie kan in allerlei situaties heel handig zijn. Bijvoorbeeld om uit te pluizen wat er is misgegaan bij een mislukte foto. Of juist om te achterhalen hoe een topper uit je collectie – of van een andere fotograaf – totstandgekomen is. Maar ook om te bewijzen dat een bepaalde opname door jou is gemaakt, en niet door een ander.

Naast EXIF bestaat er ook nog zoiets als IPTC Core-informatie. Onder deze noemer kun je zelf allerlei extra gegevens invullen, zoals je naam, website en copyrightinformatie.

Tip van de week: resetten

Je camera beschikt over een heleboel speciale instellingen om dito omstandigheden te tackelen. Maar wee je gebeente wanneer je die instellingen naderhand weer vergeet ongedaan te maken… Als je de lichtmeter op spotmeting laat staan na een jazzconcert in een donker zaaltje, gaat de belichting van je landschapsfoto’s de volgende dag onder een stralend nazomerzonnetje gegarandeerd de mist in. Dubbel zelfs, als je ook verzuimt om de witbalans van ‘kunstlicht’ weer op ‘daglicht’ of ‘automatisch’ terug te zetten. En driedubbel indien de lichtgevoeligheid tot overmaat van ramp op een idioot hoge ISO-waarde vergrendeld blijft.

Maak er een gewoonte van om al dit soort speciale instellingen meteen te resetten zodra je ze niet meer nodig hebt. Dat geldt ook voor dingen zoals exotische motiefprogramma’s of een voor speciale gelegenheden naar beneden bijgestelde beeldkwaliteit. Je zult de eerste niet zijn die, na een snel serietje tussendoor voor een website, ook de eerste verjaardag van z’n kind of een heel stuk van de zomervakantie in een magere 2 megapixels heeft vastgelegd…

Tip van de week: kleurruimte

Behalve de kleurbalans of witbalans en de kleurverzadiging kun je op je camera ook nog de kleurruimte instellen. Voor beginnende digigrafen klinkt dit misschien als abracadabra. Geen wonder, want vaak zit deze optie diep verstopt in een menu. Doorgaans heb je de keus uit twee mogelijkheden: AdobeRGB en sRGB.

In wezen is kleurruimte of kleurbereik niets meer of minder dan het totale spectrum aan kleuren dat je camera kan registreren. sRGB is de standaardoptie, maar je hoort regelmatig dat AdobeRGB ‘beter’ zou zijn. Het is zonder meer waar dat het kleurenpalet van AdobeRGB groter is. Enige probleem is dat niet elk apparaat er even goed mee uit de voeten kan. Veel afdrukcentrales voor amateurfotografen zijn helemaal ingericht op sRGB. Ook de meeste webbrowsers, met uitzondering van Apple’s Safari, ‘lusten’ alleen sRGB. Waardoor er van de kleurweergave van een foto in een andere kleurruimte weinig meer klopt.

Tip van de week: scherpstelling bijregelen

Soms zit de automatische scherpstelling er nét even naast. Je wilt bijvoorbeeld een close-upportretje met weinig scherptediepte schieten, en die eigenwijze camera stelt scherp op de neus in plaats van op het oog. Handmatig een ander scherpstelpunt selecteren biedt niet altijd uitkomst. Ben je dan gedwongen om van autofocus op handmatig scherpstellen over te schakelen? Niet altijd: wat wel en niet kan, hangt af van de combinatie camera/lens.

Bij traditionele autofocus-systemen zit de aandrijving in de camerabody. Via een soortement ‘schroevendraaiertje’ drijft deze de scherpstelring van de lens aan. Deze draait dan ook vrolijk mee. Als dat het geval is, kun je er beter van afblijven. Als je zelf aan de scherpstelring draait (of die vasthoudt) terwijl ring en motor gekoppeld zijn, kun je de aandrijving forceren.

Tip van de Week: je fotoarchief op orde

Wanneer je na elke fotosessie je geheugenkaart leegt op je computer en er voorlopig niet meer naar omkijkt, lijkt je harde schijf binnen de kortste keren op de aloude schoenendoos waarin veel mensen vroeger hun negatieven bewaarden. Voor je het weet zit hij vol en vind je nooit meer iets terug.

Maak er een gewoonte van je foto’s meteen bij het importeren te ordenen en te schiften. Sla bijvoorbeeld al je vakantiefoto’s op in een aparte (sub)map met de naam ‘Zomervakantie 2010’. Met veel fotobewerkingsprogramma’s kun je de geïmporteerde foto’s automatisch laten hernoemen en/of hernummeren. Zo kun je ook de opnamedatum in de bestandsnaam laten verwerken. Als je voor een nieuwe nummering kiest, is het verstandig om dit ná de eerste selectieronde te doen. Anders vallen er meteen gaten in je collectie.

Tip van de Week: belichtingscorrectie

Misschien komt het je bekend voor: op die foto’s die je afgelopen winter hebt gemaakt, lijkt de sneeuw niet echt wit maar lichtgrijs. Terwijl die prachtige avondschemering in Portugal weer veel te flets is uitgevallen.

De lichtmeter in je camera is een hypergeavanceerd stukje techniek. Toch gaat ‘ie in sommige situaties bijna geheid de fout in. Dit komt doordat elke meter is geijkt op een gemiddelde tint: middengrijs. Als je niet ingrijpt, worden onderwerpen die hoofdzakelijk uit lichte tinten bestaan te donker weergegeven, en donkere onderwerpen weer te licht.

Met de zogenaamde belichtingscorrectie, vaak te vinden onder een knop met het symbooltje +/-, zet je de belichtingsautomaat weer op het juiste spoor. Met een pluscorrectie maak je het beeld lichter en met een mincorrectie donkerder.

Tip van de Week: weinig licht

Ook in de zomer wordt het op een gegeven moment donker. Té donker om nog scherpe foto’s te maken uit de hand, zelfs met beeldstabilisatie. Als het diafragma van je lens niet verder open kan en flitsen geen optie is, zul je ofwel de lichtgevoeligheid (ISO-waarde) moeten verhogen, ofwel een statief moeten gebruiken.

Bij moderne spiegelreflex-camera’s is een hogere ISO-waarde niet zo’n probleem, zeker als je beeldbewerkings-programma over een goed ruisfilter beschikt. Tenzij je enorme uitvergrotingen maakt, kun je de ISO-waarde gerust tot 800 of zelfs 1600 opkrikken zonder catastrofale gevolgen voor de beeldkwaliteit.

Tip van de Week: digitale glamour

Bij portret- en modelfotografie kan scherp ook wel eens té scherp zijn. Elk rimpeltje, haartje of pukkeltje is duidelijk zichtbaar. De verleiding is dan groot om te gaan poetsen in Photoshop. Vaak met een compleet gladgestreken ‘kunststof’ huid als resultaat.

Niemand is volmaakt (gelukkig maar…), dus hou het vooral natuurlijk. Kleine wondjes, pukkeltjes en andere plaatselijke ‘schoonheids-foutjes’ kun je onzichtbaar wegwerken met het Kloonstempel of het Snel retoucheerpenseel. Maak er echter geen pleisterwerk van! Met het gereedschap Tegenhouden, ingesteld op Hooglichten in de optiebalk bovenin, maak je gelige tanden wat witter. Ook hier geldt dat overdaad schaadt!

Tip van de Week: schaduwen ophelderen

Zonnig weer betekent hoge contrasten. Je digitale camera kan daar minder goed mee uit de voeten dan het menselijk oog. Als het contrast tussen licht en schaduw te groot wordt, worden donkere delen van het beeld helemaal pikzwart en lichte delen spierwit.

Klassiek voorbeeld is een portretje aan het strand. Als je jouw model met het gezicht naar de zon fotografeert, knijpt die zijn of haar ogen geheid dicht tot kleine spleetjes. Al valt daar hoogstwaarschijnlijk weinig meer van te zien, want het harde licht werpt zware slagschaduwen in de oogkassen…

Als je de geportretteerde met de rug richting zon op de plaat zet, ontstaat er een ander probleem: in veel gevallen blijft er weinig meer over dan een silhouet. Je kunt zo’n tegenlichtsituatie op drie verschillende manieren te lijf.